Speciale natuuroevers langs het Twentekanaal blijken vol te stromen met zaden en planten. Uit 126 monsters wist hij tot zijn grote verrassing tienduizenden planten op te kweken.
Jarenlang volgde bioloog en leraar Ger Boedeltje de luwe oevers in het Twentekanaal. 'Het zijn kleine oases.' Via een stuw en een nauwe doorgang tussen stenen muren stroomt ten oosten van Lochem de Slinge uit in het Twentekanaal. Voorzichtig manoeuvrerend op een steil talud probeert Ger Boedeltje (55) een fijnmazig net te posteren in de waterstroom die over de stuw heen richting kanaal stroomt.
Wie vol verwachting in zijn emmer zoekt naar stekelbaarsjes, salamanders of wriemelend grut komt bedrogen uit. Boedeltje jaagt namelijk op planten. Of eigenlijk op zaden en stekjes waar nieuwe water- of moerasplanten uit kunnen groeien in een van de natuurvriendelijke oeverzones langs het kanaal.
Al een jaar of vijftien is Boedeltje medearchitect van die zones. Begin jaren negentig raakte hij bij toeval betrokken bij de ontwikkeling ervan door een stage bij Rijkswaterstaat. Het Twentekanaal was toen nog een rechte goot met houten zijwanden, waartegen de golven van het scheepvaartverkeer uiteen spatten. Die oevers, vond ook Rijkswaterstaat, konden best een groene facelift gebruiken.
De kans daarvoor kwam toen het kanaal moest worden verbreed voor de containervaart. Rijkswaterstaat huurde Boedeltje in om te bezien of de getroffen maatregelen langs de kanten daadwerkelijk effect sorteerden. Jarenlang hield hij precies bij welke planten zich in de vernieuwde oeverzones vestigden, waar die vandaan kwamen en welk beheer het meest effectief was. Dat onderzoek leidde uiteindelijk tot zijn promotie, afgelopen woensdag aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.
Hoewel er verschillende uitvoeringen bestaan, is het basisprincipe redelijk eenvormig. Een meter of vier tot acht uit de kant, al naar gelang de ruimte, wordt een vooroever aangelegd, met natuursteen of door een metalen, houten of betonnen wand te slaan die zo'n dertig centimeter boven water uitsteekt. In de luwte daarachter ontwikkelt zich een rustig zoetwatermilieu waarin waterplanten een kans krijgen.
Dat zijn min of meer oases in een dorre woestijn. Op een enkel stil hoekje in een zwaaikom na, is de bodem van het kanaal onbegroeid, aldus Boedeltje . In het kolkende vaarwater weten waterplanten zich niet staande te houden en bovendien neemt het steeds opwarrelende slib het licht voor ze weg. En zonder waterplanten is het met de rest van het onderwaterleven ook droevig gesteld.
Waterzuiveraars
'Planten zijn goed voor het milieu. Ze zuiveren het water, hoe meer natuuroevers er zijn hoe meer dat merkbaar is in de rest van het kanaal. Ook leveren planten een belangrijke bijdrage aan de biodiversiteit. Veel waterdieren hebben planten nodig. Een snoek bijvoorbeeld jaagt vanuit een verscholen positie, veel vissen paaien tussen de planten of zetten er hun eieren op af. En slakken bijvoorbeeld leven van planten.'
Inmiddels is er langs het Twentekanaal zo'n 17 kilometer natuuroever aangelegd. Met wisselend succes. 'Dit is ook een leuke eindfase', wijst Boedeltje vlakbij de Slinge naar een zwierige rij wilgen en elzen, 'althans voor vogels'. Vanuit een smalle rietstrook klinkt de roep van de kleine karekiet. De oeverstrook was te ondiep, is de conclusie van de onderzoeker. Bovendien is het noodzakelijke baggeren achterwege gebleven. 'Toch is het een verademing ten opzichte van de oorspronkelijke situatie.'
Aan de andere kant van Lochem zijn de voordelen duidelijker zichtbaar. In een strook rustig water achter een houten scherm zijn twee aalscholvers op jacht. Kennelijk hebben ook vissen de natuuroever ontdekt. Op het water drijven de bladeren van gele plomp, onder water groeit sterrenkroos. Een hele verbetering ten opzichte van een kale kanaalbodem, maar nog geen modderwaterparadijs.
'Het worden nooit de Loosdrechtse Plassen.' In de oeverzone is het namelijk schipperen tussen twee kwaden, zo heeft Boedeltje ervaren. Stroomt er te weinig vers kanaalwater de oeverzone in, dan raakt het water langs de oever te voedselrijk doordat afgezet slib voedingsstoffen afgeeft. Een monocultuur van algen of kroos is dan het gevolg.
Anderzijds is te veel uitwisseling met de dominante buurman, het kanaal, ook weer niet goed. Bij elke bootpassage wordt het water in de oeverzone dan dermate in beroering gebracht dat veel waterplanten het loodje leggen.
Dat er relatief weinig waterplanten in de oeverzones tot ontwikkeling komen, is in ieder geval niet het gevolg van gebrek aan immigranten. Landplanten hebben soms moeite nieuwe natuurgebieden te bereiken; in het Twentekanaal daarentegen zweeft een overstelpende overdaad aan potentiële plantengroei, ontdekte Boedeltje .
Wortelstokken
Water- en moerasplanten verspreiden zich niet alleen via zaden, maar vooral ook via vegetatieve delen, wortelstokken bijvoorbeeld, of stekjes , minuscule stukjes die kunnen uitgroeien tot volwaardige planten. Om de toevoer daarvan te bepalen, hing Boedeltje een fijnmazig net van een halve bij een meter in de uitstroomopening van een van de 39 beken die in het Twentekanaal uitmonden. Dat zijn de bronnen van plantenleven waar het steriele kanaal het van moet hebben.
De vangst aan drijvende en zwevende zaden en stekjes spreidde Boedeltje in de kas uit over kweekbakken met potgrond en steriel zand. De levensvatbare exemplaren konden daarop uitgroeien voor verdere determinatie. Na twee maanden volgde nog een koudebehandeling voor zaden die een lage temperatuur nodig hebben om te ontspruiten.
Uit 126 monsters - het net hing gemiddeld 18 minuten in het water, dan waren de mazen dichtgeslibd - kweekte de promovendus maar liefst honderdduizend planten op. Nog erger werd het toen hij ook het kanaal zelf ging bemonsteren.
'Ik kwam soms thuis met twintig emmers. Daarvoor waren dan al gauw 25 kweekbakken nodig, en daarin kwamen soms tot duizend planten per bak tot ontwikkeling. Toen zijn er momenten geweest dat ik het niet meer zag zitten. Dat was geen doen. Gelukkig is mijn vrouw Jikkie toen bijgesprongen. Ze heeft geleerd de meest algemene soorten te herkennen. Anders was het niet gelukt.
Die proef leidde tot 360 duizend levensvatbare stekjes en kiemplanten van in totaal 174 verschillende soorten. 'Die massaliteit heeft me enorm verrast. Er stromen elk jaar miljarden zaden en stekjes door het kanaal. Dat is onvoorstelbaar. En dat gebeurt niet alleen hier; dat geldt voor vele waterlopen.'
Leerlingen uit de 5 VWO klas als publiek bij de promotie
Voor veldbiologen waren het slappe tijden op de arbeidsmarkt. En er was de zorg voor hun eerste kind. Voor Ger Boedeltje zat er in 1977 na zijn afstuderen in Groningen niet veel anders op dan aan de slag te gaan als biologieleraar.
'Leuk om met jonge mensen te werken. Dat vind ik tot op de dag van vandaag, maar het bleef wel knagen. Ik wilde mijn studie verder uitdiepen, en graag het veld weer in.' Deze week kwamen wetenschap en onderwijs samen: Boedeltje (55) promoveerde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, met zijn 5-VWO-leerlingen als toehoorders in de zaal.
Dat was een uitvloeisel van een herkansing in 1990. De leerlingenaantallen liepen toentertijd zodanig terug dat hij bij zijn school in Lochem uiteindelijk maar een enkel lesuur overhield. Ter compensatie mocht hij een omscholingscursus Milieubeleidskunde volgen bij het Van Hall-instituut in Leeuwarden.
Tijdens die cursus liep hij stage bij Rijkswaterstaat. Daarna was het tij gekeerd: de inmiddels gefuseerde school had weer werk genoeg, en Boedeltje had de smaak van zijn oude stiel weer te pakken. Hij beperkte de lestijd op school tot vier dagen en richtte daarnaast een eigen ecologisch onderzoeksbureau op. Dat bestaat voor een belangrijk deel van vervolgopdrachten van Rijkswaterstaat. Vanaf 1998 is hij zijn vegetatiestudies langs het kanaal om gaan zetten in een promotieonderzoek, mede dankzij vier jaar onbetaald verlof van school. Eind 2003 keerde hij terug op het Staring College, en rondde hij in zijn vrije tijd en de laatste zomervakantie zijn dissertatie af. Een van de stellingen deze week luidde: De meeste kansen krijg je pas nadat je ze zelf gecreëerd hebt.
'Ik heb weleens gedacht over een postdoc-plaats, maar dat is meestal maar voor twee jaar. Ik geef school niet zomaar op. Qua rechtszekerheid vind ik dat op mijn leeftijd toch een beetje link. Maar ik blijf publiceren.'